If we carry purism to it's logical conclusion, to do it right {fishing} you'd have to live naked in a cave, hit your trout on the head with rocks, and eat them raw. But, so as not to violate another essential element of the fly-fishing tradition, the rocks would have to be quarried in England and cost $300 each.
John Gierach
        ruiken of proeven laatst bewerkt op Jan 26, 2010

Start > carpblog> karper aas> ruiken of proeven...


laatst toegevoegd of gewijzigd:
2011-01
blog2011
het plan
2010-09
carpblog
2010-08
2010-07
schetenwap
het boilie proces
2010-06

ruiken of proeven

een verhaaltje over chemoreceptie bij karpers...

Sinds jaar en dag keert telkens weer hetzelfde thema terug bij ons vissers: het aas. En hoe we ons aas en voer zo effectief mogelijk maken en inzetten.

In de discussies daarover hoor en lees je van alles en nog wat, en niet alles wordt even scherp en duidelijk geformuleerd. Logisch, want niet iedereen wil zomaar zijn geheimen prijsgeven. Maar zelfs als mensen wel bereid zijn om informatie te delen treedt er al snel een spraakverwarring op over allerlei zaken die voor ons landbewoners best duidelijk zijn, maar in de discussie tussen sportvissers helaas snel tot verwarring en dus onduidelijkheid leidt.

Nou vind ik het toevallig leuk en belangrijk om een beetje de huiskamergeleerde uit te hangen, en het naadje van de kous te zoeken als het gaat om aas. Dus ik mag graag het internet afstruinen naar informatie, en dan het liefst wetenschappelijk gefundeerde informatie. Serieuze publicaties van erkende wetenschappers die onderzoek doen aan eerbiedwaardige instituten, maar ook afstudeeronderzoeken en scripties leveren namelijk een schat aan informatie op. En die informatie is niet gebaseerd op een of ander vaag geloof of overlevering, en niet onhandig of onduidelijk verwoord. Heerlijk.

Een voorbeeld van de vragen die telkens weer opduiken en tot verwarring leiden is de simpele vraag: "kan een karper wel ruiken?", waarop dan het simpele en op het eerste gezicht logische antwoord klinkt: "Nee, steek je neus maar eens onderwater".

Iets te kort door de bocht misschien? Voor mij wel. Vissen hebben namelijk wel degelijk een reukorgaan. Wetenschappers noemen dat een olfactorisch systeem. Daarnaast hebben vissen ook smaakpapillen, en deze zijn niet alleen in hun bek maar vaak zelfs over het hele lichaam van die wonderlijke beesten in meer of mindere mate te vinden. Zo ook bij Cyprinus carpio, oftewel de kerrep.

Op zoek naar wat verdieping en een beter klinkend antwoord op de "kan een karper (mijn dure flavour) ruiken?" vraag hoor je dan dan vaak : "Een karper kan niet ruiken zoals wij dat doen, maar proeft zijn omgeving als het ware!" Al iets genuanceerder, dacht ik zo. Je zou de combinatie van het proeven en ruiken in het water kunnen samenvatten onder de wetenschappelijke term "chemoreceptie".

Maar is dat genoeg informatie dan? In de praktijk van de visser die gewoon zijn aas aan de haak doet, wat voer in het water deponeert en begint te vissen wel.

Om te beginnen neemt onze virtuele visser een aas waar hij "vertrouwen" in heeft. Dat vertrouwen bestaat dan uit de "ervaring" dat er in het verleden vis gevangen is met dat aas of met gebruikmaking van dat voer.

Prima, niks mis mee, hulde. Vooral als de keuze voor het gebruikte aas/voer naast de "bewezen" vangkracht ook gebaseerd is op enig besef van weidelijkheid ofwel dier en natuurvriendelijkheid. En er dus gekozen is voor zogenaamd "hoogwaardig" aas, met een minimum aan "chemie" en "verse" "kwaliteits" ingrediënten.

Wat de subjectieve termen  "hoogwaardig", "vers" en "kwaliteit" allemaal precies inhouden is helaas vooral een gevoelskwestie blijkt in de discussies die oplaaien zodra vissers hun aas gaan vergelijken met dat van anderen. En de term "chemie" is iets waar velen onder ons al helemaal van steigeren. Alsof iets wat "chemie" is meteen ook slechte associaties met gifmengers oproept. Ik kan me er best iets bij voorstellen, maar lieve mensen, het koken van een ei is al een chemisch proces.

Uiteindelijk is dat natuurlijk allemaal helemaal niet zo belangrijk, we vangen onze visjes wel, de een wat meer dan de ander, en wat groter en zo, maar het blijft een hobby, een sport, liefhebberij. De belangen zijn uiteindelijk lang niet zo groot als wij karpervisser wel denken dat ze zijn, buiten ons wereldje maalt geen hond om de effectiviteit van ons aas. Logisch. Maar toch... Er zijn meer mensen die belang hebben bij attractief voedsel voor karpers!

Als ik zo zit te peinzen over mijn aasjes wil ik graag weten hoe ze nou eigenlijk werken. Ik verplaats me graag in mijn tegenstanders, en dus ook in de karpervisserij wil ik weten hoe zo'n beest "tikt". Wat wéten we nu eigenlijk echt over vissen, en karpers in het bijzonder, wat valt onder de wetenschappelijke feiten of veronderstellingen, en welke modellen en termen passen dan bij die veronderstellingen. Welke onderzoeken zijn er gedaan, en wat kunnen we daarmee als we de discussie over ons aas zo zuiver mogelijk willen voeren?


Een heel interessant werkstuk over chemoreceptie bij vissen en in het bijzonder (koi)karper vond ik terug op http://etd.sun.ac.za/jspui/bitstream/10019/26/1/Barna.pdf
Philip Barnard is de schrijver, en het is door hem geschreven in het kader van het behalen van zijn graad in aquacultuur aan de universiteit van Stellenbosch in Zuid-Afrika.

Het leuke van het stuk is dat het ook goed leesbaar is voor niet wetenschappers, en in de eerste 2 hoofdstukken een behoorlijke inleiding levert in de gebruikte terminologie en de onderzoeksmethoden. De informatieve waarde van het stuk is dus voor ons boiliefreaks behoorlijk hoog te noemen!

Het doel van het onderzoek van Philip Barnard was om te achterhalen welke attractie en stimulansen van enkele granen (maïs, sorghum, rogge, tarwe en triticale) en toevoegingen als betaine en/of vrije aminozuren (alanine, arginine, lysine en methionine) uitgaan. Interessante kost voor karperaasfreaks dus.

Omdat ik het zo'n waardevol stuk vind zal ik proberen om de sappige passages er uit te filteren en vrij te vertalen naar het Nederlands.

Na een korte uitleg over het gebruik en nut van toevoegingen aan (vis)voedsel in de aquacultuur (viskweek) worden eerst enkele basisbegrippen helder uitgelegd.


Het blijkt dat stoffen die de voedselopname (het aasgedrag dus!) van vissen beinvloeden als volgt geclassificeerd zijn:

'Incitants' (zou ik vertalen als "lokstoffen") zijn stoffen die het zoeken en uitproberen van aas positief beinvloeden doordat de vis deze stoffen detecteert met  behulp van zijn olfactorisch systeem, in combinatie met de smaakpapillen die zich buiten de bek van het dier bevinden. Deze combinatie van gebruik van zintuigen noemt men het "extra-orale smaaksysteem" Jaja, hoor ik menigeen al denken.

'Suppressants' (onderdrukkers) zijn stoffen die het zoeken en grijpen van aas negatief beinvloeden. Net als de lokstoffen worden de onderdrukkers waargenomen door het extra-orale smaaksysteem.

De combinatie van "reuk" (we zijn nog steeds onder water!) en smaak is dus van groot belang voor de mate waarin vissen en dus ook kerpen geneigd zijn om een voedseldeeltje uit te testen op eetbaarheid. Wat gebeurt er nu qua chemoreceptie zodra een vis heeft besloten om een aasdeeltje IN zijn bek te pakken?

Welnu: 'Stimulants' (geen vertaling nodig denk ik) die gedetecteerd worden door de smaakpapillen in de bek van de vis zorgen er voor dat een vis voerdeeltjes daadwerkelijk doorslikt, en niet uitspuugt. Dit gedrag wordt dus vooral bepaald door de smaak (en dus niet de geur) van het betreffende voedsel.

'Deterrents' (afschrikkers?) zijn substanties die er voor kunnen zorgen dat een karper stopt met het doorslikken van voedsel, het voedsel uitspuugt en (meestal voor korte tijd) weigert om verder te eten. Ook dit gedrag wordt dus bepaald door de smaak van het aangeboden voedsel, en detectie van de afschrikstoffen vind plaats in de bek van de vis door gebruik van de daar overvloedig aanwezige smaakpapillen.

En dan hebben we nog 'Enhancers' (smaakversterkers) die het aasgedrag niet direct stimuleren, maar de smaak van het voedsel kunnen accentueren en daardoor de verdere opname van meer voedsel bevorderen. Ook enhancers doen hun werk via de smaakpapillen in de bek van de vis.


Zoals blijkt in de praktijk kan één en dezelfde stof verschillende effecten hebben op het aasgedrag van onze geliefde vissen. Een stof kan dus zowel aanlokken (de geur) als wel afschrikken (de smaak). Klinkt dat niet heel bekend voor de mensen die smaak van hun flavours willen maskeren met zoetstoffen?

Verder zijn er natuurlijk talloze stoffen die geen bekend effect hebben op zowel het olfactorisch (reuk) alswel het smaak systeem van vissen. Niks aan te ruiken en niks aan te proeven dus.

Tot zover even uit het proefschrift, even op een rijtje zetten wat we volgens mij geleerd hebben.

Aangezien het dus onmogelijk is om met onze neus onder water te bepalen wat er precies wel en niet aantrekt of afstoot in ons aas is het dus logisch om te concluderen dat wat wij ruiken als mens helemaal niks zegt over wat karpers ervaren via hun reukorgaan.

Wel weten we dát ze een reukorgaan hebben, en dat SAMEN met de smaakpapillen op hun lijf gebruiken om te bepalen of en waar er misschien een lekker of juist minder lekker hapje te halen valt ergens in de buurt.

De smaak van het aangetroffen voedsel bepaalt dan uiteindelijk of het voedsel daadwerkelijk doorgeslikt wordt, en er verder gesmikkelt kan worden. Een open deur? Wellicht voor sommigen, maar toch leuk om het even op een rijtje te zien...

Het stuk van Barnard gaat verder met het beschrijven van de factoren die allemaal van invloed zijn op het azen van vissen. Dat zijn:

Visuele detectie (het gebruik van het zichtvermogen) kan een belangrijke rol spelen bij het localiseren en identificeren van voedsel. In donker en/of troebel water neemt deze rol uiteraard af.

Electro detectie door het uitzenden en weer opvangen van kleine stroomstootjes speelt bij veel vissoorten een rol.

Mechanoreceptie behelst het opvangen en registreren van trillingen en turbulenties in het water vooral door middel van het lateraal orgaan van vissen.

Chemoreceptie, het detecteren van chemische signalen in het water (de combinatie van wat wij landdieren smaak en reuk zouden noemen) speelt een rol bij de voedseldetectie en acceptatie door vissen.


Allemaal goed en wel? Ja hoor!
Van karpers is bekend dat ze soms puur op zicht(?) een verder reukloos en smaakloos aas "proberen", getuige de vangsten op plastic aasjes. Visuele detectie dus.
Helaas heb ik tot op heden niets kunnen vinden over de rol van electrodetectie bij karpers. Ik denk echter dat dat kunstje niet echt op hun repertoire staat, maar onderzoek naar dit onderwerp is mij niet bekend.
Uiteraard maken ook karpers gebruik van hun lateraal orgaan, maar onderzoek naar het gebruiken daarvan om (bewegend) voedsel te localiseren is mij niet bekend. Mij lijkt dat een scharrelende worm of krab ook in het donker trillingen en beweging veroorzaakt en dat karpers dat best kunnen opmerken.
Hoe dan ook, bij het aasgedrag van karpers is chemoreceptie zoals we allemaal wel weten een belangrijke factor.

Niks nieuws onder de zon ook weer dus. Alleen maar even de terminologie op scherp zetten, en we weten allemaal weer wat we precies bedoelen. Wel zo makkelijk.

Barnard vervolgt met een beschrijving van het olfactorisch en het smaaksysteem bij vissen, en merkt op dat stoffen die door het olfactorisch systeem onder water gedetecteerd kunnen worden niet vluchtig (zoals op het land) maar wateroplosbaar dienen te zijn!

Voor wat betreft de detectie van vrije aminozuren door de smaakpapillen in en op het lijf van vissen wordt aangegeven dat de L-isomeer vormen veel beter gedetecteerd worden dan de D-vormen. Het komt er op neer dat een chemische stof die uit dezelfde atomen bestaat zich in verschillende vormen kan manifesteren. (lees meer over aminozuren en stereo-isomeren op wikipedia!)

Welke aminozuren (en andere stoffen) nu precies effectief zijn als attractors is voor vele vissoorten al onderzocht, en het blijkt dat een aantal zaken op dit gebied ontdekt zijn. Er zijn sterke aanwijzingen voor de volgende feiten:

1 alleen alpha-aminozuren hebben een sterk stimulerende werking
2 L-isomeren zijn effectiever dan D isomeren
3 de stimulansen die uitgaan van aminozuren zijn níet gerelateerd aan essentiele aminozuren.

PH neutrale aminozuren met 2 of minder Koolstof atomen en ongeladen en  onvertakte zijtakken zijn het meest stimulerend. Zure aminozuren zijn weinig stimulerend, terwijl de stimulerende werking van basische aminozuren wisselend en afhankelijk van de specifieke vissoort is. Combinaties van verschillende aminozuren kan versterkend werken.

Wat dat allemaal in onze karpervis praktijk behelst laat ik nog even in het midden.

Ik ga er namelijk even gemakshalve van uit dat ik voorlopig geen kans zie om invloed uit te oefenen op L of D isomeren, en dat we goed zitten ALS we vrije aminozuren weten te verspreiden met ons aas. In de natuur komen de l-isomeren zowieso het meest voor.

De hamvraag is dan natuurlijk: WELKE aminozuren zijn dan BEWEZEN attractief? Waar mogen we het zoeken? Barnard voert een hele lijst vissoorten en hun specifieke attractors op, en dat is interessante kost voor vissers op allerlei vissoorten denk ik. Gelukkig vinden we al snel ook de karper terug in de tabel. 

Voor karpers kunnen zoals uit onderzoek is gebleken in ieder geval de volgende stoffen als attractief aangemerkt worden:

attractant toevoeging referentie
L-Glutamine 10-6M Goh & Tamura, 1978
Betaine hydrochloride 10-4M Yasumasa & Tamura, 1979
L-Lysine 10-4M Goh & Tamura, 1978
L-Methionine 10-4M Goh & Tamura, 1978
L-Arginine 10-4M Satou, 1971
L-Alanine 10-4M Satou, 1971
De kolom toevoeging behoeft een uitleg, maar daar komen we nog op terug. Barnard spreekt in zijn proefschrift nog even vrij algemeen over de toepassingen van attractors in de aquacultuur en in de sportvisserij, en de volgende zaken vallen mij daar bij op: Hij spreekt over nucleotiden, en "organic, aminated bases", en daar wil ik dus wel meer van weten. Verder stelt hij dat attractors sneller vanuit ons aas in het water terecht komen als ze aan de buitenkant van het voedseldeel zitten, en dat van de "synthetische attractors" vooral NaCl (zout dus!) een rol kan spelen bij het uitwasemen van de attractors door het aantrekken van water in het aas. Om een langzamere uitwaseming van attractors en een stabieler aas te bewerkstelligen kan een hoger aandeel cellulose ingezet worden. Hij raad verder aan om attractors niet te verhitten tijdens het proces van aasmaken.

Het eerste hoofdstuk van het proefschrift eindigt met de vaststelling dat  "het gemak waarin een vis voedsel  detecteert een functie is van afmeting, beweging, vorm en kleur".  Contrasterende kleuren, vormen die lijken op natuurlijk voedsel, bewegen als een prooidier, allemaal factoren die vissen attenderen op de aanwezigheid van voedsel.

Een flinke lap tekst is dit artikeltje al weer geworden. En dit was nog maar het eerste hoofdstuk van het boven vernoemde proefschrift. De rest van het verhaal is ook interessant, om te beginnen het tweede hoofdstuk over factoren die van invloed zijn op de reuk en smaak mechanismen bij vissen.


Watertemperatuur heeft zoals onderzocht is een invloed op de smaakvoorkeuren van vis. Helaas geen vitale gegevens over Cyprinus carpio, onze kerrep, maar wel over  graskarper: bij watertemperaturen van 20° Celsius waren l-alanine, l-histidine, en l-cysteine, bij 13° C daarentegen l-histidine en l-valine effectief als stimulants.

Vervuiling, vooral in de vorm van zware metalen kan tot beschadiging van smaakpapillen leiden.

De pH waarde van het water beïnvloed de smaakrespons op aminozuren, maar bij een pH boven de 6 blijft deze constant. Bij een water pH onder de 7 neemt de smaak response van karpers (en regenboogforel!) dramatisch toe. Onderzoek heeft uitgewezen dat het smaaksysteem van vissen zeer gevoelig is voor CO2.
Na deze lijvige en wat mij betreft toch zéér informatieve inleiding in 2 hoofdstukken gaat het stuk voort met het publiceren van het onderzoek dat Barnard heeft verricht naar een aantal granen, betaine hcl en de aminozuren uit de tabel hierboven en de resultaten daarvan.

Ik ga niet elk hoofdstuk apart bespreken, maar zal me beperken tot een beschrijving van het onderzoek en de resultaten daarvan.
Allereerst de methode van onderzoek. Barnard heeft telkens 10 bakken van 25000 liter met elk 100 koikarpertjes van rond de 60 gram ingezet bij een watertemperatuur van 27 graden celsius. Vrij hoog dus, voor onze visserij hier, maar goed. Deze visjes werden voor het betreffende experiment begon 2 weken lang geacclimatiseerd, en tot verzadiging optrad gevoed met reguliere voedselpellets.  De te testen voedingsstoffen werden met water tot een deeg gekneed, en daarna werd er mee gevoerd en de resultaten werden gemeten (visjes in vakjes tellen dus, en dan statistische programma's er op los laten dus). Er werd telkens 5 keer gevoerd met het betreffende voedsel, en elk experiment is drie keer herhaald.

En dan nu wat resultaten!
Uit de vergelijking tussen mais, sorghum, triticale, rogge en tarwe kwamen na 10 minuten mais en triticale naar voren als attractief, waarbij de meeste visjes bij de maisdeegjes terecht kwamen. Na 30 minuten echter bleek triticale weer de minste visjes in de compartimenten te leveren... Voor de exacte aantallen en de statistische significantie van de gemeten resultaten verwijs ik je graag naar het onderzoek zelf. Lees het maar na!

Uit de vergelijking tussen gekookte en ongekookte mais (het gekookte maisdeeg werd aangemaakt met kokend water) liet een duidelijke trend zien met een voorkeur voor gekookte mais, maar deze wordt als niet significant geclasseerd volgens de statistische berekeningen...

De volgende proef vergelijkt de attractie van mais en sorghum in diverse verhoudingen, waarbij geen statistisch significante verschillen werden ontdekt tussen de verschillende deegcombinaties, pure mais na 10 minuten wel de hoogste trend liet zien, maar na 30 minuten was juist de combinatie 50%mais en 50% sorghum het meest attractief.

Hoofdstuk 6 gaat over het onderzoek naar de effectiviteit van betaine hydrochloride als chemoattractor in maisdeeg, in verschillende concentraties, waarbij duidelijk wordt dat betaine hcl absoluut significant sterkere responsen oplevert dan het controle aas zonder betaine. De beste respons gaf een concentratie van 10-4M, dat is ongeveer 0,01566 gram per kg aas. Ook 10-2M (1,566 gram/kg deeg) leverde prima resultaten, zowel na 10 als na 30 minuten. Hogere concentraties dan 10-2M (1,566 gram/kg deeg) werden niet getest, omdat beschadigingen aan de smaakreceptoren dan volgens diverse onderzoeken mogelijk zouden zijn!

De volgende proef vergeleek het gebruik van vrije aminozuren (alanine, arginine, lysine en methionine)in concentraties van 10-4M toegevoegd aan maisdeeg, met als controle maisdeeg zonder deze toevoegingen. Alanine blijkt al na 10 minuten de hoogste respons en na 30 minuten ook een statistisch significant hogere respons op te leveren, Lysine en ook de controlegroep (alleen mais) levert na 30 minuten ook een statistisch significant hogere respons op dan arginine en methionine. Lysine liet weer een iets betere respons zien dan alleen mais, maar dit verschil was niet statistisch significant te noemen, en zou dus mogelijk op toeval kunnen duiden.

In de discussie over deze resultaten wordt er overig nog gerefereerd aan onderzeken die aangetoond hebben dat het olfactorische apparaat bij karper NIET reageert op NaCl (zout), n-butyl (een geurstof die voorkomt in sommige fruitsoorten) en alcohol esthers (flavours!)

Het laatste onderzoek in het proefschrift (alanine, arginine, lysine en methionine in concentraties van 10-4M in combinatie met betaine (10-4M) vergeleken met elkaar, en de controlegroep met enkel betaine) blijkt dat het combineren van betaine en alanine effectiever is dan enkel het toepassen van betaine en/of de andere combinaties van aminozuren.

Het proefschrift van Barnard sluit af met zijn conclusies, die je wat mij betreft zelf mag doornemen om te kijken of je het er mee eens bent, en om te zien wat er in onze karpervispraktijk van overblijft en bruikbaar is.

Wereldschokkende conclusies kun je zelden verbinden aan dergelijk onderzoek, maar wat ik heel mooi vind is dat dit onderzoek en het verslag er van wat mij betreft een goede inleiding vormt in de denkwereld en gebruikte terminologie in de aquacultuur, en de resultaten van zijn onderzoek mooi bevestigen wat wij eigenlijk al wel wisten;
- gekookte mais is weliswaar gemiddeld interessanter dan ongekookte, maar het maakt statistisch gezien nou ook weer niet zo héél veel uit,
- vrije aminozuren zijn attractief, en betaine was ook al bekend...

Dat combinaties van lok en smaakstoffen effectief zijn wisten we ook al, maar dat er ook serieus onderzoek gedaan is naar de effectiviteit er van bij karpers was misschien nog niet bij iedereen bekend.

Lees het stuk vooral zelf eens, en ik zou graag in contact komen met anderen die net zo gek geïnteresseerd zijn als ik in dit soort onderzoeken en kennis.

Vooral de statistische kant van het verhaal is me niet altijd even duidelijk, wanneer zijn metingen significant, en wanneer is er sprake van puur toeval? De resultaten en de interpretatie als zijn wel of niet significant verbazen me af en toe een beetje! De gebruikte ANOVA methodes zullen wel debet zijn aan de classificaties, maar van die kaas heb ik helaas niet veel gegeten. Ik ben wel hard bezig met die kennis in te halen overigens!

Ik roep iedereen op om opmerkingen, meningen, informatie, ervaringen en vragen over de chemoreceptie bij vissen en karpers in het bijzonder vooral kenbaar te maken! Laat een bericht achter, of stuur een mail. Bezoek ook eens www.baitcalculator.com als je meer wil weten over de voedingswaarde van je (zelfgemaakte) aas!

Er zijn nog geen reakties op deze blog

Voeg uw reaktie toe of mail naar !

name e-mail
comment title website url

Start > carpblog> karper aas> ruiken of proeven...

cms and support:Miranet Webdesign Maastricht Sponsored by: BaitCalculator

new