![]() |
When I go fishing I like to know that there's nobody within five miles of me. Norman MacCaig |
|||||
![]() |
|
|||||
|
|
|
|
||||
|
|
de reiger Een fabel van J. de la FontaineEens wandelde, op zyn lange pooten, Met uitgestrekten hals, een Reiger; 'k weet niet waars Het zy:langs vyvers, os langs slooten; Altháns.het water was 'er klaar. Dus zag hy, by het helderst weder, . . t. Den Karper, en zyn' maat den Snoek, Verschynen uit den stillen hoek, . En luchtig zwemmen op en neder. 't Stond all' tot 's Reigers dienst, die slechts te grypen had, 't Kwam all' aan 's waters kant, dien hy met vreugd betrad, Maar hy begreep, naar zyn gedachten, ,. ..' Meer eetlust af te moeten wachten, hy at slechts op zyn' tyd, zyn maat was hem bekend Maar de eetenslust daagde op in 't end', Wanneer de Reiger niet dan kleinen Zeelt zag spelen. Dit was voor hem geen spyze, dus Was wachten best; het lot zou beter hem bedeelen (Zo kiesch was ook de Rat van held Horatius! i) De Reigersprak : ,,Ik! Zeelt? zou die myn'eetlust streelen? Voor wien toch worde ik aangezien, Zo ik my van een spys zo weinig waard' bedien.?" Naauw' was de Zeelt met smaad dus aan eenzy'geschoven Os 't Grundeltje slak 't hoosfd naar boven. foei! Grundel! riep het beest: is Grundel Reigerspys? De Hemel hoede my.daarvoor myn' mond te ontsluiten? Veel liever alle vis daar buiten! Wat wierd 'er van my op die wyz'?' Weihaast moest hy zyn' mond voor minder open maken : Geen vis vertoont zich meer by 't land. De honger nam toen de overhand; Gelukkig, dat hy aan een slykslak kon geraken! De schrandersten zyn 't rast voldaan. ??? i) Dit ziet op ééne der fabelen van Horatius' Men zy niet al te kiesch in "t kiezen: : Die vurig naar te veel wil slaan, Waagt dat hy alles zal verliezen. . . Veracht toch niets, al ziet gy 't noch zo nietig aan, Vooral zo gy daarby uw reekning half kunt yinden. Veel lieten tot hun schaê door hebzucht zich verblinden. . 'k Heb tot geen Reigers my in dit gedicht gekeerd: Ziet, menschen! door myn pen iets anders hierbeschreven, Dat klaar u zal te kennen geven, Dat ik by u alleen myn lessen heb geleerd *** Een Meisje, in wie de trots ten toppunt was gerezen, Begeerde een huwlyk aan te gaan, Maar 't vryertje moest jong, schoon, hoogst bevallig wezen, Niet koel, ook niet jaloers, hier kwam 't wel meest op aan; Haar schoonheid moest alleen haar' echtgenoot verhitten. Zyne afkomst moest ook zyn beroemd, Ook moest hy ryk zyn, en een' man van geest genoemd, Ja, wat men noemen kan,- maar wie kan 't all' bezitten? Het lot beschonk haar ras met minnaars zonder tal : Zy zag zich aangezocht door de eerste jonge lieden Doch all' wat zich haar aan kwam bieden, Was naauwelyks half wél, dat is 't was niet met al. Zy! zou zy ooit haar hand die knapen waardig achten? Zy wierd bespot, naar haar gedachten. Zulk slag haar stoutlyk voor te slaan! Zy zag 't met medelyden aan l Men zou die knapen eens beschouwen: Wat had die jonge een' mallen neus! Dees was een dwerg, die was ecn reus, Een ander had geen geest, of was geen man voor vrouwen Aan dien was dat, aan dezen dit. De Lezer mag my vry geloven, Een vrouw die hovaardy bezit Gaat manverachtsters in verachting -noch te boven. Toen de eedle vryërstoet zich afgewezen zag, Verscheen terstond het middelslag: Toen straks aan 't spotten met die snaken! Zy was, waarachtig! al te goed, Veel te zagtäartig van gemoed, Dat zy de huisdeur hen door 't volk deed open maken. 't Word tyd dat deze hoop me een weinig beter kenn' : Die kwanten hebben vast gedachten Dat ik met myn persoon vry wat verlegen ben. God dank! dat ik noch myne nachten Bevryd van hartzeer slyten kan, Hoewel alleen, en zonder man." Hoe juichte zy zich toe by zulk een redeneren! By 't groeijen van haar' ouderdom Verminderden allengs de heeren. Eén jaar, en noch één jaar ging om In vrees; toen wierd verdriet geboren,- In 't eind' ging lach, en lonk, en liefde zelf verloren. Toen nam liet gantsch gelaat iets onbehaaglyks aan, Men zou toen zels schier vryën gaan; Straks wierd de verf te baat genomen, Dees zou 't verlept gelaat weêr frisheid doen bekomen; Vergeefs! die kunsten baatten niet, Daar niemant ooit den tyd ontvlied; Dees sloopt, gelyk een dief, die schoonheid zo geprezen. 't Veröuderd huis vernieuwt men noch: ô Hemel! waarom gaat het toch: Zo niet met een veröuderd wezen? Toen moest de fiere vrouw veranderen van taal. Haar spiegel riep haar toe : ,, Zoek spoedig een' gemaal!" 'k Weet niet wat lusten haar volmaakt het zelsde zeiden. (Een trotse vrouw laat ook zich door de lusten leiden !) Maar 'k weet voorzeker, dat dees vrouw Een keur deed die gewis geen Lezer raden zou: Zy waande in 't eind' haar heil ten hoogsten top gerezen, Dat haar, na zulk een dwaas bedryf, Door 't lot een kwant wierd toegewezen, Zo slecht van geest, als slecht van lyf. Er zijn nog geen reakties op deze blog Voeg uw reaktie toe of mail naar ! |
||
Start > carpblog> verhalen> de reiger... |
|||
cms and support:Miranet Webdesign Maastricht Sponsored by: BaitCalculator